Word Beschermer

Molens bij Utrechts Landschap

Molens bij Utrechts Landschap

Met de molens komen natuur, landschap en monumenten bij elkaar. Dankzij poldermolens kon het unieke veenweidelandschap in het westen en noorden van de provincie ontstaan. Korenmolens bepalen al eeuwenlang het silhouet van vele stadjes in de provincie.

Utrechts Landschap beheert 23 polder- en korenmolens van Stichting De Utrechtse Molens. Restauratie en actief beheer zorgen ervoor dat de molens in goede staat zijn. Zo blijven ze een belangrijk deel uitmaken van het Utrechtse landschap.

Poldermolens

Poldermolens drijven een scheprad of vijzel aan. Hiermee maalt de molen overtollig water vanuit de polder naar de boezem. Grote delen van het westen van de provincie zijn vanaf ongeveer 1100 ontgonnen. De woeste veengronden werden door kolonisten in cultuur gebracht. Ze groeven sloten en weteringen om het overtollige water af te voeren naar de veenriviertjes. Vanwege de wateronttrekking nam het volume van het veen af en daalde de grond. De natuurlijke afvoer van water kwam in gevaar omdat het land niet hoger, maar gelijk of lager dan de riviertjes, lag. Dijken waren nodig om te voorkomen dat het rivierwater het land zou overspoelen.

Een volgend probleem was dat het water uit de polders steeds moeilijker op natuurlijke wijze kon worden afgevoerd naar de boezems. De introductie van de poldermolen bracht uitkomst. Een molen kan het water doormiddel van een scheprad van een lage polder naar een hogere boezem malen. Zonder molens zouden de moeizaam ontgonnen gebieden van het westelijk deel van de provincie al vele eeuwen geleden weer onder water zijn gelopen.

Korenmolens

Met korenmolens werd graan gemalen voor het dagelijks brood. Daarom staan korenmolens meestal in de dorpen en stadjes. Om voldoende wind te kunnen vangen zijn korenmolens op een hoge plek in de stad gebouwd. In Rhenen in de bovenstad en in Montfoort op de stadswal. Als er geen hoge plek voorhanden was, zette men de molen op een voetstuk.

Een voorbeeld daarvan is De Hoop in Loenen aan de Vecht. Om de molen te kunnen bedienen, moest dan wel een stelling worden gebouwd. Vanaf de stelling kan de molenaar de kap van de molen kruien (draaien) en daarmee op de wind zetten. De wieken zetten vervolgens via diverse wielen de molenstenen op de steenzolder in beweging. Boven de steenzolder ligt de luizolder. Met behulp van een luiwerk worden zakken graan naar deze zolder gehesen. In een maalkoppel liggen twee maalstenen. Daartussen wordt het graan tot meel gemalen.

Tijdens het malen bevindt de molenaar zich voornamelijk op de maalzolder die onder de steenzolder ligt. Hij kan dan het maalproces goed in de gaten houden en het gemalen meel afvoeren. De maalzolder ligt meestal gelijk met de stelling. Mocht het weer plotseling verslechteren, dan is de molenaar snel op de stelling om de molen stil te kunnen zetten.